“Pim?”
“Met Pim.”
“Koffie?”
“Je heb me omgeluld.”
Zo ging dat. Is-ie nu werkelijk dood? Wie kan dat geloven? Kleine test: Pim?
Daar zullen we aan moeten: Pim is echt dood. Als er nog maar een sprankje leven in hem had gezeten, had hij zich nu wel geroerd.
We waren met Kayak aan het touren, en het zou de laatste tour worden in deze vorm. Nou Pim, overdrijven is ook een kunst.
Kop in de Volkskrant, woensdag: ‘Stille kracht achter de Nederlandse pop.’
Stil? Pim? Niet bij leven! Op het podium hebben we hem in een aquarium moeten stoppen. Hij was een kamervullende persoonlijkheid. Naar Pims mening hoefde je niet te gissen. Aan stiltes deed hij niet: als een gas vulde hij alle beschikbare ruimte, met muziek, grappen, citaten en anekdotes. Hij wilde alles waarvan hij genoot met iedereen delen. En dat liefst zo vaak mogelijk.
Otto Lenselink belde op, voor het eerst in negen jaar, begin deze week, vanuit Spanje, bijna in shock. Met Otto hebben Pim en ik nagedieseld in 2000 en dat resulteerde in een CD. Toen ik de hoorn had neergelegd, dacht ik: goed dat Otto belt. Dat moet ik aan Pim vertellen. Oeps!
Ik werk ook bij een krant en schrijf wel eens wat. Dan belde ik Pim vaak op om mijn tekst eerst even op hem uit te proberen. Pim en ik waren geestverwanten, en zo’n stuk leg je voor aan een geestverwant, niet aan een opponent. Je wilt geen discussie en dan zo’n stuk platrelativeren, zodat er uiteindelijk niks meer staat; je wilt een klankbord. Pim luisterde alleen maar, en lachte op het juiste moment.
Pim had een uitstekend gevoel voor humor: hij lachte om al mijn grapjes. Alleen maar door te luisteren nam hij mijn twijfel en onzekerheid weg.
Zit ik dus een tekst voor vandaag in elkaar te draaien en weer denk ik: even Pim bellen. Shit! Aan wie moet ik nou mijn stukkie voorleggen?
Verdomme, Pim, als ik hier de plank missla, is het jouw schuld, want jij moest er zo nodig tussenuit knijpen.
Kijk, en dat is nou niet waar. Pim wilde er helemaal niet tussenuit knijpen.
56 jaar is Pim geworden. Zo jong nog. Te jong. 56 is niet altijd te jong. Hitler is ook 56 jaar geworden, maar dat waren er 56 te veel. Als Onze Lieve Heer die 56 jaar nou Pim erbij had gegeven, had Hij de wereld een hoop ellende bespaard.
Onze vriend, de grote levensgenieter, had er wel raad mee geweten. En Pim zou ons dan twee keer zo veel muziek hebben gegeven.
Maar nee hoor, die Heer met die ondoorgrondelijke wegen van Hem heeft hem tot zich geroepen – zonder Pim z’n mening te vragen. Hij vraagt nooit iemands mening. In Pims geval kende ik die mening precies: nee, dank U, ik kom niet; ik blijf lekker zitten waar ik zit en laat me niet omlullen. Doet U mij maar een cappuccino.
Pim had zeker bij ons willen blijven, hij hield veel te veel van het leven. En zijn verwachtingen voor het hiernamaals waren niet hooggespannen. Maar Onze Lieve Heer doet wat Hij wil.
Tsja Pim, met zo’n God heb je geen duivel nodig.
Wie gelooft dat Pim nu brandt in de hel of muziek maakt in de hemel, dat hij met zijn vader herenigd is – zijn vader, die gisteren gecremeerd is – gelooft iets anders dan Pim geloofde. Pim verwees sprookjes naar het rijk der fabelen. Hij zat op de lijn van Richard Dawkins, bioloog en schrijver van ‘The God Delusion’.
Richard Dawkins, die zegt: “Er is toch zo’n ruim assortiment aan godsdiensten voorhanden. En laat kinderen nou uitgerekend het geloof van hun ouders aannemen. Heel gek.” Voor dat soort redeneringen mocht je Pim midden in de nacht wakker maken. Ik had het nog graag gedaan.
Ton was het die Pim attendeerde op Dawkins. En ik op Pat Condell. Pim, van Condell, speciaal voor jou:
Je kunt de Bijbel erop naslaan als je een barmhartig, wijs en menslievend leven wilt leiden, maar je hebt meer kans om een lapdanceclub te vinden in Mecca of een maagd in een katholiek weeshuis.
Pim streed niet tegen God. Daar was hij veel te intelligent voor. Pim streed niet tegen die niet-bestaande windmolen. Hij bestreed de onzin die mensen beweren, vooral als die mensen ook nog vonden dat alle anderen het met die onzin eens moesten zijn, desnoods op straffe van. Daar schreef hij liedjes over: Tradition (2001), Nobody Wins (2009).
Nog zo’n stokpaardje van Pim: maatschappelijk onrecht. ‘Dare you speak about the social crime’ – Mammoth (1973). ‘They call me the flying subpoena, I’ll sue you with all of my might’ – Let the Record Show (2009). Over deurwaarders. Daar had Pim over de jaren een hechte band mee opgebouwd.
Pim had een scala van favoriete grapjes. Vanachter het drumstel, bij het aftikken: “Jongens, ik geef er drie of vier vooraf.”
Of deze, als iemand tijdens een concert een fout had gemaakt: “Ik heb harmoniën voorbij horen komen die pas over generaties worden begrepen.”
Na een bezoek aan de cardioloog vertelde Pim met smaak hoe het gesprek was verlopen. De dokter vraagt: hoe zwaar bent u? Pim: 110 kilo. En hoe lang bent u? 1 meter 95. Oh, zegt de cardioloog, dan bent u dus iets te kort.
Pim was voor mij een moeiteloze vriend. Ik weet niet eens precies hoe we bevriend zijn geraakt – naast samen muziek maken – het ging vanzelf, onmerkbaar. Bevriend blijven kostte ons ook geen enkele moeite. Dat is wel eens anders.
Je kon het bij Pim ook verbruien en dan was-ie bikkelhard. Spelen in Kayak was ook in de jaren zeventig al Pims lust en leven, en er was dus heel wat voor nodig om hem zover te krijgen, de groep de rug toe te keren. Dat ‘heel wat’ begon met een F en eindigde op rits Hirschland. In 1976 was Pim de misselijke fratsen van zijn manager zat en stapte hij op. Toen Frits in 1999 vrijwillig uit het leven stapte, was er geen Kayakmuzikant bij de uitvaart. Ik hield Pim voor dat het wel druk was geweest bij die uitvaart. Pim: “Dat komt alleen maar omdat al die mensen het zekere voor het onzekere namen en zich er met eigen ogen van wilden overtuigen dat Hirschland echt dood was.”
35 jaar heb ik Pim mogen meemaken. Nooit heb ik hem gelukkiger gezien dan in de afgelopen jaren, met Marrigje. En nou gaat ons leven verder zonder Pim. Hoe dat moet? Geen idee.
Rob Vunderink
Deze speech heeft Rob voorgedragen tijdens de crematie van Pim
Bilthoven, 28 november 2009